Nieuws

Hoorplicht bij ontslag van een contractueel personeelslid in overheidsdienst

Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur audi alteram partem legt aan de overheid de verplichting op om een personeelslid te horen wanneer zij een ernstige maatregel neemt die verband houdt met het gedrag of de persoon van de bestemmeling van de maatregel.

Dat beginsel is aan de overheid opgelegd wegens haar bijzondere aard, namelijk dat zij als behoedster van het algemeen belang handelt en dat zij met volle kennis van zaken moet beslissen. Statutaire ambtenaren die door hun gedrag een ernstige individuele maatregel kunnen opgelegd krijgen, hebben daardoor altijd het recht om daaromtrent voorafgaandelijk gehoord te worden.

 Volgens een arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 juli 2017 (nr. 86/2017), geldt dit principe ook voor de contractuele personeelsleden in de publieke sector wanneer zij dreigen ontslagen te worden omwille van bijvoorbeeld een negatieve evaluatie van hun gedrag (dus niet om bijvoorbeeld organisatorische redenen).

 Deze uitspraak druist in tegen  het standpunt van het Hof van Cassatie dat met haar arrest van 12 oktober 2015 nog oordeelde dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de hoorplicht, niet van toepassing zijn op het ontslag van contractuele personeelsleden in de publieke sector.

 Voortaan zal elke overheid dus voorafgaand aan het ontslag van een contractueel personeelslid omwille van redenen die verbonden zijn aan zijn gedrag of zijn persoon, dit personeelslid moeten horen. De rechtspraak zal verder moeten uitwijzen welke sanctie wordt gekoppeld aan de overtreding van dit principe. Alleszins zal het ontslag definitief zijn en zal het betrokken personeelslid wellicht hoogstens aanspraak kunnen maken op een schadevergoeding voor zover het kan aantonen dat het schade leed doordat het niet werd gehoord.